20 reacties

  1. Opgave 4: teorbespeler? ‘teorbe’ heeft uitsluitend ‘teorben’ als meervoudsvorm. Dus moet het toch ‘teorbenspeler’ zijn?

    • Ik denk het niet. Je kunt het muziekinstrument vervangen door een willekeurig ander type: pianospeler, gitaarspeler, trompetspeler. Het gaat dus om een ander type samenstelling, waarbij het lijdend voorwerp in het linkerdeel staat. Denk ook aan vioolbouwer, dicteeschrijver en zo meer.

  2. 1) Ik denk dat die teorbespeler wel klopt. Zie lemma speler – 5.
    2) GB: jarretel – jarretels of jarretellen
    jarretelle – jarretelles
    VD idem
    Probleem is vergelijkbaat met gazel – gazelle.
    Volgens de GSG moet je dan uitgaan van de meest frequente vorm – kunnen wij niet nagaan omdat we het INL-corpus niet hebben. Uit GB en VD blijkt echter – jarretellengordel – dat die meest frequente vorm jarretel is met meervoud jarretellen!

    • Als je met Google zoekt naar “jarretelle” en “jarretel” blijkt de eerste vorm meer dan tweemaal zo vaak voor te komen dan de tweede vorm. Maar dat is natuurlijk een vertekend beeld, want “jarretelle” komt ook voor in het Frans en “jarretel” niet.
      Maar als je de aantallen van “een jarretelle” en “een jarretel” vergelijkt, blijkt de tweede vorm ruimschoots in de meerderheid, zelfs bijna tienmaal meer.

    • In de Dikke Van Dale Online blijkt “jarretelle” de hoofdvorm waarbij de woordverklaring staat; “jarretel” is een vormvariant en bij dat trefwoord wordt doorverwezen naar de hoofdvorm.
      Als verklaring voor kousophouder wordt “jarretelle” gebruikt, niet “jarretel”.
      Deze toestand pleit niet echt voor “jarretel” als meest frequente vorm. Dat zou beter kunnen!

  3. 1 Jarretellengordel: mijn fout. Jarretel heeft wel twee meervouden, maar niet op -en en -es (maar op -en en -s).
    2 Teorbespeler: leuke redenering, Jeroen, “ander type samenstelling, waarbij het lijdend voorwerp in het linkerdeel staat”. Maar waar vind ik dat terug in de leidraad? Of in de technische handleiding? In die laatste staat (7.2.1): “Het gaat (…) uitsluitend om de vorm. De beregeling van de tussenletters doet in principe geen beroep op enkelvoudige of meervoudige betekenis, zoals dat in oudere spellingregelingen het geval was.” (Dat ‘in principe’ slaat natuurlijk op uitzonderingsregel 8.E.) Niets over een ‘ander type’ of over het linkerdeel als lijdend voorwerp.
    Een zelfstandig naamwoord in het linkerdeel van een samenstelling is soms in het enkelvoud (schaapherder), soms in het meervoud (schapenwei), en soms komen ze allebei voor (boekwinkel, boekenwinkel). Daar is geen regel voor. Dat al die muziekinstrumenten in combinatie met ‘speler’ in het enkelvoud staan, is m.i. toeval. (Reins “Zie lemma speler – 5″ overtuigt me niet. Idd allemaal enkelvoud, en ook nog een op -e, maar dat het mandolinespeler is, en niet mandolinenspeler, volgt de gewone regel: mandoline heeft alleen een meervoud op -es.) Als dat van het linkerdeel als lijdend voorwerp regel zou zijn, dan zou (naast schaapherder) schapenherder niet bestaan. En dat doet het wel.

    • Nee, ik had het ook niet over een regel, maar over een analogie. Als wij volgens ons taalgevoel speler steevast koppelen aan een enkelvoud, dan geldt dat dus ook voor teorbe. Maar goed, de vraag is inmiddels volgens mij afdoende beantwoord door Herman met zijn citaat uit de Technische handleiding. Zie onder.

  4. Het is met zekerheid teorbenspeler.
    Technische Handleiding oktober 2016 – 7.2.1.3 e – Als het zelfstandig naamwoord op -e eindigt en het alleen een meervoudsvorm op -en heeft, wordt als linkerdeel van een samenstelling toch de meervoudsvorm gebruikt, hoewel er strikt genomen geen sprake is van een tussenklank doordat de sjwa deel uitmaakt van de enkelvoudsvorm van het linkerdeel.

    • Dat is het zinnigste argument dat ik in deze discussie gelezen heb. Ik vrees dat het dan inderdaad teorbenspeler zou moeten worden. Dat staat wel raar – vind ik – maar dat komt met name doordat er maar weinig woorden zijn met een uitgangssjwa die enkel een meervoud op -en hebben. Of vergis ik mij nou?

    • @Herman: dit is natuurlijk de volledig correcte uitleg, waarvoor dank.

      @ Jeroen: zijn het er weinig of veel, dat staat wat mij betreft open voor discussie. Opmerkelijk is wel dat de TH het zelf, in de lijn van jouw woorden, heeft over “een kleine groep”. De groep die deze woorden vormen, wordt bovendien “geleidelijk kleiner” (cf. opnieuw TH), doordat steeds meer woorden naast het meervoud op -n het meervoud op -s krijgen.

      NB let op met “staat wel raar – vind ik”: zulke argumenten zetten taalbewakers overal te lande al onze geschiedenis lang aan om voor nogal willekeurige spelvormen die geenszins aan patronen voldoen, te kiezen! ;) Men heeft immers ooit, bij het herwerken van de spelling-1954, dit gedacht over bijvoorbeeld de spelling “zedeles”. Wat gebeurt er dan, wanneer men zegt: zedeles, ik vind dat raar? Welnu, lees de praktijk! Men vindt er “iets” op, maar dat “iets” is zó onwerkbaar dat zelfs tweeëntwintig jaar later nog, op het verschijnen van een onschuldig tussen-n-quizje in een forum – nota bene in een bloedhete zomermaand waarin er allerlei leuke dingen buitenshuis te beleven zijn – al in de eerste uren na publicatie een ellenlange en schijnbaar onstuitbare discussie ontstaat ;)

      °°°

  5. zedenles is een van die beperkte groep zaaknamen behorend tot de zedenles-uitzondering, zoals beambtenbaan, linzensoep, lendenbiefstuk, opgavenboek, runenteken, … het zijn zaaknamen die eindigen op -e, een meervoud hebben op -en, maar niet op -es.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>