Krobiya’s en rowti’s in Sluis

Sluis 2018

Het beeld van Johan Hendrik van Dale in Sluis.

door Bert Jansen

Lasciate ogne speranza, voi ch’entrate’ ofwel ‘Laat alle hoop varen, gij die hier binnentreedt’, het opschrift dat de toegang tot de hel siert in Dante Alighieri’s Divina Commedia, zou zaterdag 7 april 2018 niet misstaan hebben boven de ingang van het belfort van het Zeeuwse Sluis; daar werd die middag namelijk het eerste Johan Hendrik van Dale Dictee gehouden en de auteur van het dictee was Johans provinciegenoot, de kathaarse Rein Leentfaar.

Op de terrasjes van Sluis miegelde het van de toeristen en het was verleidelijk te pogen daar ook een plaatsje te vinden, maar ik had mij nu eenmaal gecommitteerd aan het bezoek aan Reins feestje. Ondanks die concurrentie met de zonovergoten schabelletjes kon Rein toch nog 35 bezoekers verwelkomen, onder wie negen usual suspects, van wie zes uit Vlaanderen en drie uit Nederland. Er stapte ook nog een verdwaalde toerist het oudeeuwse raadhuis binnen, en wel met de intentie de toren te beklimmen, maar toen hem gevraagd werd of hij met het dictee mee wilde doen, keek hij verschrikt op en keerde hij schielijk op zijn schreden terug. Hij ontsnapte ternauwernood aan een veertiental bizarre zinnen.

Sluis 2018

Wim Eggermont trad op als Johan Hendrik van Dale, mét woordenboek.

Stand-in
Hoewel Johan Hendrik van Dale, onze betreurde held die zijn naam gaf aan het dictee, al vanaf 1872 de tuin op zijn buik heeft, was hij tóch aanwezig, en wel in de gedaante van Wim Eggermont, die voor de gelegenheid als zijn stand-in fungeerde. Het dictee werd voorgelezen door Marga Vermue, de burgemeester van Sluis. Zij had zich laten strikken de veertien onmogelijke zinnen voor te lezen. Niemand zal het haar dan ook euvel geduid hebben dat ze er af en toe haar tong over brak.
Welnu, na deze opmaat zijn we wel voorbereid op een paar zinnen en woorden die de zwervende Zeeuw uit zijn woordentas had opgediept.

Knock-out
De eerste zin was direct raak en betekende voor menig liefhebber een technisch knock-out: men ging weliswaar nog niet tegen het canvas – eeuwenoude plavuizen, in dit geval – maar was wel al dermate groggy dat men de volgende zinnen slechts enigszins afwezig aanhoorde. Hij luidde: ‘Beeld u eens in: u bent lexicograaf en u mag een dictionaire samenstellen: een statig in boxcalfs gebonden goud op snee boek.’ Het oog van de oplettende lezer zal hier direct blijven haken achter de eerste zinsnede: inderdaad, ‘zich inbeelden’ is een zogenaamd ‘verplicht wederkerend werkwoord’, wat impliceert dat het niet zonder het wederkerend voornaamwoord kan. De auteur had zijn faux pastje op de valreep ook al gezien, maar het laten staan opdat men zou zien dat ‘u’ hier níét het onderwerp van de zin is. Het bleek menigeen inderdaad te zijn ontgaan. Toch een leermoment dus …
Na de tweede zin zakte bij menigeen de moed volledig in de schoenen: ‘Voor u de kans om achterhaalde archaïsche woorden als ‘desniettegenstaande’ en ‘archeopteryx’, de jurassische vogelsoort, in de vergetelheid te doen geraken!’ Als ík lexicograaf was, zou ik dergelijke woorden echter opnemen om ze juist niet in de vergetelheid te doen geraken, maar dit terzijde. Daarna volgden er nog acht van dergelijke zinnen, met woorden als vélocipède, per pedes apostolorum, graue Eminenz, gillesdelatourettesyndroom en bechterew.

Even ingedut
De vier laatste zinnen waren voor de dicteetijgers, maar moesten ook door de liefhebbers geschreven worden om in geval van ex aequo’s de rangorde te kunnen bepalen. Een paar woorden uit het laatste blokje mogen in dit verslag niet ontbreken: krobiya, markusa, rowti, baithak gana, adhan, woedoe, dhuhr, fajr en maghrib. In de laatste zin ontwaarde ik een heuse ‘dubbelopper’: ‘In scherp contrast daarmee stonden de wiegendrukincunabelen’ – een typisch voorbeeld van Homerus die even was ingedut.

Ik weet het niet zeker, hoor, maar zou onze held zich op die zonnige aprilmiddag niet een paar keer in zijn graf hebben omgedraaid? Zou hij niet vermoeden naar Verweggistan te zijn gekatapulteerd?

Sluis 2018

Auteur Rein Leentfaar

Elementaire deeltjes
Dankzij taalwetenschapster (moet dat niet taalwetenschapper zijn?) Soeke Teenzuyt (zie het artikel van Rien Wisse, redacteur van De Spelt, op deze site) heeft Sluis, het embryonale stadium nog maar nauwelijks ontgroeid, al direct geschiedenis geschreven: er werden immers de lang gezochte dicteedeeltjes ontdekt! Die elementaire deeltjes – vooralsnog teenzuytdeeltjes genoemd – als en en waren in het Sluise dictee ruim voorhanden.

De meesten van de 35 schrijvers in het belfort bleken een paar maten te klein voor Reins verbale capriolen. Dat gold niet alleen voor de liefhebbers; ook doorgefourneerde Groene Boekjeadepten moesten in Sluis de witte vlag hijsen. De ongenaakbare lion du jour was Robert Joosen. Hij haalde de eindstreep met het onmogelijk geringe aantal van twee fouten! Wij kennen hem als de meest eerbare man van Vlaanderen en omstreken, maar bij anderen, die niet het geluk hebben regelmatig in zijn schaduw te mogen opereren, hem van haar noch pluim kennen, kan licht de gedachte postvatten dat de brave industrieel ingenieur in ruste een vernuftige device in zijn frontale kwab heeft laten implanteren waarmee hij ongezien door de Dikke kan bladeren. Hij en Herman Killens – die slechts acht fouten maakte – degradeerden namelijk het peloton tot zebedeussen. Christiane Adams wist, met 13 fouten, de afstand tot de koplopers nog enigszins te beperken, wat ook Felix Heymans (16 fouten) nog aardig lukte, maar meine Wenigkeit (19 fouten) al een stuk minder.

Sluis 2018

Matthias de Vries, geschilderd door J. H. Neuman

Vaderlandsch karakter
De absolute klasse van onze immer bescheiden en minzaam lachende Kalmthoutse vriend is in Sluis in beton gebeiteld. Zonder echter iets aan zijn jaloersmakende prestatie af te doen, zou ik graag de vraag opwerpen: moeten wij al die wonderlijke woorden ook opnemen in ons Nederlandse woordenboek? Is het toelatingsbeleid niet al te ruimhartig? Glad ijs natuurlijk, want hier komt ook de politiek om de hoek kijken.
Matthias de Vries (een van de auteurs van het Woordenboek der Nederlandsche Taal) noemde taal de ‘afspiegeling van ons vaderlandsch karakter, het merkteken van ons volksbestaan, band en pand onzer nationaliteit’. Nu weet ik wel dat dit een typisch negentiende-eeuwse opvatting is – en dat we de taalkundige luiken al lang geleden naar de wereld hebben opengezet –, maar de vraag blijft nochtans knellen.

Niemand die mij ook maar even kent, zal mij van taalpurisme beschuldigen, maar naar mijn mening dienen woorden, alvorens opgenomen te worden in het woordenboek, enigszins geworteld te zijn in ons taalgebruik. Ik vraag mij in gemoede af of dat met woorden als krobiya (een vis), rowti (een vogeltje), dhuhr en fajr (gebeden waarnaar God niet, maar Allah wél schijnt te luisteren) wel het geval is. Zoals ik mij ook afvraag via welk transliteratiesysteem de Arabische woorden zijn omgezet naar ons Latijnse alfabet. Hoe komen we aan die bizarre spellingen? Die zijn toch volledig losgezongen van de uitspraak? En een van de eisen die aan een transliteratie worden gesteld is toch dat een woord als vanzelf correct wordt uitgesproken?

En nu maar hopen dat deze nabrander niet uitgelegd wordt als de kritiek van een slechte verliezer. En, o ja, Sluis verdient een Tweede Johan Hendrik van Dale Dictee!

Esker: breed ingeburgerd?

Bob van Dijk

Bob van Dijk

door Bob van Dijk 

Van Dale neemt een nieuw woord pas ter overweging om te worden opgenomen in het Heiligste Boek der Woorden ‘wanneer het minstens drie jaar in (schriftelijk) algemeen taalgebruik regelmatig opduikt in kranten, tijdschriften, boeken en internet. Het woord moet algemeen bekend en ingeburgerd zijn’ (website VD). [Voor de ongeduldigen onder ons, en zo eentje ben ik, bestaat de escape om in de digitale VD woorden toe te voegen in een wiki-omgeving. Ik maak zeer dapper gebruik van deze mogelijkheid; zie bijvoorbeeld basaltwoord, broodjesvloer, kop-tot-kontkok en puttikamer. Zelfs je naam komt erbij te staan: eeuwige roem!]

Eenzaat, deemstering, esker
Met deze wetenschap in het achterhoofd raadpleegde ik laatst de digitale VD vanwege een woord waar ik nog nooit van gehoord had, gelezen in de voortreffelijke nieuwste roman van Tommy Wieringa, De heilige Rita. Tom is grootgrutter in fraaiewoordengebruik trouwens, zoals eenzaat en deemstering. Maar nu had hij iets anders. Hij beschrijft hoe zijn vader in het Tukkerse land hem onderricht in het landschap. Veertiende hoofstuk, pagina 111: ‘Vader beschrijft het einde van een ijstijd, een smeltende gletsjer bedekt het land … Daar kijken ze naar, een rivier van steen, recht in het hart van de voorlaatste ijstijd. Het is de enige esker van het land.’

Esker? Wat zou dat zijn? En verdraaid, digi-VD geeft uitslag: ‘Slingerende landrug die tijdens een ijstijd door smeltwater aan de rand van of onder een ijskap is gevormd’. Het komt van het Ierse ‘eiscir’. Even verder googelen op internet levert nauwelijks hits op. Desgevraagd bij talige vriendjes en vriendinnetjes roept dit woord slechts vraagtekens-in-hoofden op.

Esker

Een esker (landrug uit de laatste ijstijd).

Definitief?
Is esker, nu het definitief in VD staat, daarmede een ‘algemeen erkend en ingeburgerd woord’? Ik waag het te betwijfelen. Maar het mooiste van mijn verhaal zit in de clou. De heilige Rita van Tommy Wieringa beleefde zijn eerste druk in oktober 2017. En wat staat er in VD bij esker? ‘Toegevoegd in december 2017’. Dit kan geen toeval zijn.

Desgevraagd bij de bureauredactie van VD blijkt dat er kennelijk veel vraag naar dit woord was bij digi-VD-gebruikers. Reden dat het tussen de tweejaarlijkse reguliere updates door alvast in de digitale versie geplaatst was. Ik ben gaan rekenen: eerste druk Rita in oktober, tweede en derde in november 2017. Dat zijn 30.000 boeken (geschat; desgevraagd bij uitgeverij De Bezige Bij wil men geen aantallen verstrekken). Hoeveel Rita-lezers zouden een abonnement op de digitale versie van ’s lands woordwatcher hebben? Hooguit één procent, lijkt me (ook Van Dale geeft geen antwoord op de vraag hoeveel digitale abonnementen verkocht zijn). Dus maximaal driehonderd mensen die het boek lezen én digi-VD hebben, en dat lijkt me al veel. Laat staan dat die mensen allemaal het woord esker zouden opzoeken.

Zou je met enkele tientallen vragen om een woord het al in VD kunnen krijgen? En dan niet in hun wiki, maar in de echte versie?

De heilige Rita (2017) van Tommy Wieringa

De heilige Rita (2017) van Tommy Wieringa

Belzen plukken
Ik denk dat er iets anders gespeeld moet hebben. Eén pagina verder namelijk laat Wieringa de hoofdpersoon belzen plukken in de boomgaard langs de beek. Belzen? Die ken ik alleen als onze zuiderburen. Opzoeken maar weer. Maar ‘belzen’ noemt VD nu juist weer niet …Dus dat is dan weer niet massaal opgezocht.

Het blijft gissen, maar roept wel om toelichting. Van Dalemensen: jullie lezen deze site ook, dus doe er wat mee!

Addendum: Ik heb Tommy Wieringa in een fanmail gefeliciteerd met zijn esker. Ook gevraagd naar de bedoeling achter de belzen. Ik wacht met spanning op een antwoord.

Addendum secundum: Het kostte moeite, maar uiteindelijk heb ik op internet de betekenis gevonden van ‘bels, belzen’. Het is een wildepruimensoort. Het woord is typisch Oost-Nederlands. Echt iets voor Tommy Wieringa dus!

 

Wat weten wij af van ‘afweten’?

Harderwijk 2016 - HB

Johan de Boer denkt na tijdens het Harderwijks Dictee van 2016. Foto: Huib Boogert

door Johan de Boer

Moeten wij afweten aaneenschrijven? Jazeker, zeggen alle bronnen, als afweten geen verband houdt met weten maar de betekenis heeft van bijvoorbeeld ‘niet komen opdagen’ of ‘in gebreke blijven, falen, tekortschieten’, zoals in de zinnen: ‘Hij had beloofd om te komen, maar hij liet het helaas afweten’ en ‘Ajax en ook Anderlecht lieten het gisteravond lelijk afweten’. Van Dale geeft nog meer betekenissen bij het trefwoord afweten, maar ook die hebben geen betrekking op weten.

Maar nu die andere betekenis van afweten/af weten in de betekenis van ‘kennis hebben van’. Hier zijn de meningen verdeeld. Aan de ene kant heb je Van Dale. Als je bij het trefwoord afweten kijkt, zie je onder andere de betekenissen die in de eerste alinea worden genoemd. ‘Kennis hebben van’ wordt hier uitdrukkelijk niet genoemd. Wel is er een aantal trefwoorden waaruit je kunt afleiden dat VD kiest voor af weten.

  • Bal1 5: uitdrukking  ergens de ballen vanaf weten
  • Vanaf: ergens niets vanaf weten
  • Niks2: van niks weten  nergens iets vanaf weten

Overige bronnen
Tot zover Van Dale. Daartegenover staan het Groene Boekje, Onze Taal en de Taaltelefoon. Om te beginnen het GB. Dat heeft als trefwoord de verbinding ervan afweten. Bij de Taaltelefoon vinden we: Wat zou ze ervan afweten? (= wat zou ze van iets afweten, bijvoorbeeld van die zaak). Onze Taal geeft onder ervan afweten twee gebruiksvoorbeelden:

  • Ik weet er al van af.
  • Wist jij hiervan af?

Net als de bijwoorden er, hier, daar en waar die zich makkelijk koppelen aan voorzetsels (eraan, hierbij, daarin, waarop, enzovoort) of aan andere bijwoorden (eraf, erheen, ermee, ertoe) hecht ook het voorzetsel van zich heel makkelijk aan andere voorzetsels en ook aan bijwoorden (vanachter, vanaf, vanbinnen, vanbuiten, vanhier, vanonder, vanop, vanuit, enzovoort). Om die reden noem ik er, hier, daar, waar en van weleens ‘kleefwoorden’.

Bij de taaladviezen van Taaladvies.net van het GB wordt veel aandacht besteed aan dit onderwerp en wel bij het onderwerp ‘Aaneenschrijven van combinaties met er, daar, hier en waar (algemeen)’. Ook onder ‘Combinaties met er: loze voornaamwoordelijke bijwoorden’ vind je veel informatie. Bij Onze Taal vind je echt een megalijst van combinaties met er, hier, daar, waar op het taaladvies ‘Er-voorzetsel-werkwoord‘. Ten slotte verwijs ik naar het artikel op Taaltelefoon over ‘Er, hier, daar en waar‘.

 

Zuigkracht
Kom ik nu weer terug bij het uitgangspunt afweten. Wat opvalt bij de drie genoemde taalinstanties, GB, Onze Taal en Taaltelefoon, is dat ‘af’ hier duidelijk gekoppeld is aan ‘weten’ in afweten. GB kent de verbinding ervan afweten en niet ervanaf weten. Dat had makkelijk gekund, want zowel GB als VD kennen het trefwoord ervanaf. De zuigkracht van het voorzetsel van is kennelijk niet zo groot dat af vreemdgaat met van. Om in de sfeer van het weekdictee van 6 november te blijven: er is beslist geen sprake van een los-vaste relatie tussen af en weten. Heel duidelijk blijkt dat ook in de zin die Onze Taal geeft, die ik hierboven heb gegeven: Ik weet er al van af. Een prachtkans voor van om zich te koppelen aan af in vanaf omdat weet niet vlak in de buurt is, maar nee, af hoort bij weten en laat dat weten ook.

Weekdictee
De eerste zin in het hierboven aangehaalde, pittige weekdictee van Lizi van Vollenhoven luidde: ‘Omdat we er niks … , hebben we het bij het proefwerk laten … .’ Men kon kiezen tussen:

  • van afweten, afweten
  • van af weten, af weten
  • van af weten, afweten

Het goede antwoord zou volgens de auteur moeten zijn: van af weten, afweten. Gewapend met bovenstaande kennis kunnen we direct antwoordmogelijkheid 2 wegstrepen, omdat in de deelzin ‘hebben we het bij het proefwerk laten …’ overduidelijk afweten moet worden ingevuld omdat hier afweten in de betekenis, uitgelegd in de eerste alinea, wordt bedoeld. Alternatief 3 lijkt correct volgens Van Dale, maar is dat niet, want vanaf moet hier aaneengeschreven worden. Zie ook hierboven bij de omschrijvingen in VD bij bal, vanaf en niks. Blijft over: antwoord 1.

Helemaal juist volgens GB, Onze Taal en Taaltelefoon.

Tot slot: ervan afweten is heel goed vergelijkbaar met een van de allerallerpopulairste dicteeopgaven, namelijk zinsconstructies waarin de woordgroep ervan uitgaan is verwerkt, waar uit gekoppeld is aan gaan. Voorbeelden: ‘We moeten er toch van uitgaan dat […]’ en ‘Zij gingen er ongetwijfeld van uit dat […]’.

Dicteeannotaties

Door Rien Wisse, redacteur van De Spelt, je broodnodige dicteenieuws

Orthografisch hoogbegaafden hebben de gewoonte elkaar na een dictee te bestoken met verklarende aantekeningen. Neurolinguïsten duiden dat als verwerkingsritueel, schuldbekentenis of victoriegekraai bij posttraumatische stressstoornis, narcistische krenking of gesublimeerde libido. De Spelt wist enkele van die annotaties te achterhalen.

Het dictee
De genummerde, gemarkeerde woorden moesten ingevuld worden. Per invulplaats werd maximaal één fout gerekend.

1 De keuze op het met QL-lampen verlichte buffet 2 is enorm: agnèssorelsoep, ziedendhete 3 loempia’s met taotjo, murgh, cacciucco’s met extra vergine olijfolie, pommes dauphine 4 en runderpoelet met asafoetida en cyperwijn. En als afsluiter volgen 5 er Opwijkse paardenvijgen, mattentaarten, yogonaise, scroppino’s en 6 appelpunten van Karmijn de Sonnaville. ‘Mjammie!’, roept hij uit. ‘7 Daar moet ik mijn werkloze chef-kok thuis toch eens over aanspreken.’ Luid geeuwend grist hij hongerig een quisse van lombards hoen van de tafel en net voor hij midden op het buffet plompverloren 8 in slaap valt, spreekt hij de gevleugelde woorden: ‘Amai, net 9 op tijd. 10 Ik zie ze vliegen.’

De annotaties

  1. Zinsbegin, dus hoofdletter. Niet The, want het is een Nederlandse zin.
  2. Mijn is één norm werd na lang discussiëren afgekeurd. Onterecht.
  3. Goed gegokt. Ik twijfelde over loempiasmet en loempia’s-meth (methamfetamine).
  4. Mijn tweede (vermijdbare) fout; en staat gewoon in mijn lijst. Ik schreef n-runderpoelet.
  5. Fout drie: erop Wijkse. Maar volgen erop is verdedigbaar. En Wijk bestaat ook.
  6. Los, niet appelpuntenvan (vrachtauto met appelpunten).
  7. Fout vier, verschlimmbesserung: Darmoetik, de naam van de werkloze chef-kok (dacht ik).
  8. Fout vijf. Vanwege slaap schreef ik inn (herberg). Nog niet goed wakker (ochtenddictee).
  9. Klinkt als toptijd vanwege dat net ervoor, maar hier is op tijd bedoeld (gemene instinker).
  10. Ik verstond excisievliegen; kon ik niet thuisbrengen. Gelukkig nog op tijd verbeterd.

 

Al met al vijf fout, waarvan twee onterecht, één vermijdbaar en één omdat het dictee in de ochtend werd gehouden. Dus eigenlijk één fout (zou eerste plaats geweest zijn).

 

 

 

Het Groot Dictee verdient beter dan een aftocht langs het achterpoortje

GDdNT 2016

Presentator Philip Freriks, met achter hem juryvoorzitster Annemarie Jorritsma.

door Steven Delarue

Deze opinie verscheen eerder op Knack.be en op het blog van de auteur.

Het Groot Dictee stopt ermee, zo wisten de Nederlandse en Vlaamse krantensites op 24 mei te vertellen. Na 27 edities trekt de Nederlandse omroep NTR er definitief de stekker uit, want “de kijkcijfers zijn te laag”, het programma is “over zijn hoogtepunt heen”, en de hele opzet is nogal “archaïsch”. Dat het er ooit van zou komen, dat stond vast, maar dat het een afscheid in mineur zou worden, is bijzonder spijtig te noemen. Het instituut dat het Groot Dictee der Nederlandse Taal door de jaren heen is geworden, verdient beter dan een aftocht langs het achterpoortje.

Laat ik maar meteen met een bekentenis beginnen: ik ben sinds jaar en dag een dicteeliefhebber. Een van m’n eerste lagereschoolherinneringen dateert van 1995, toen ik op 7-jarige leeftijd mijn lerares in het tweede leerjaar terechtwees omdat ze pyama op het bord had geschreven – terwijl dat sinds de net doorgevoerde spellinghervorming toch wel écht pyjama moest zijn. Het was m’n ouders een raadsel vanwaar die plotse fascinatie voor spelling precies kwam, en ze is nooit verdwenen. Ik deed jaarlijks mee aan het ook al ter ziele gegane Groot Nederlands Dictee van het Davidsfonds, eerst in de jeugdcategorieën, later bij de volwassenen. Toen ik in Gent taal- en letterkunde ging studeren, organiseerde ik jarenlang een eigen Groot Dictee bij de studentenkring. En voor het Groot Dictee maakte ik steevast plaats vrij in m’n agenda – de laatste jaren ging ik zelfs met andere dicteeliefhebbers meeschrijven in de bibliotheek van Merelbeke. Het is een bijzonder ras, dat van de dicteetijger.

‘Het is een bijzonder ras, dat van de dicteetijger’

Hoewel het bovenstaande niemand uit m’n onmiddellijke omgeving zal verbazen, heeft het de voorbije jaren wel vaak voor ongemakkelijke gesprekken gezorgd met collega-taalkundigen en –sociolinguïsten. Het is immers een lastige spreidstand: als sociolinguïst pleiten voor een open blik op taal, vanuit de gelijkwaardigheid van verschillende talen en taalvariëteiten, maar tegelijk op een donkere zaterdagavond in december driftig meeschrijven met een dictee waar je oren van gaan tuiten, om daarna triomfantelijk op Facebook te posten dat je er maar drie fout had. Dat het Groot Dictee nu op de schop gaat, levert op m’n Twittertijdlijn dan ook vooral vrolijke of ongevoelige reacties op, en die kan ik ergens wel begrijpen. Het klopt inderdaad dat het Groot Dictee er mee verantwoordelijk is dat veel mensen nog steeds denken dat taal gelijk is aan spelling, terwijl er zoveel meer is dan spelling alleen. Bovendien was het Groot Dictee volgens sommigen ook niet meteen bijzonder goede reclame voor die Nederlandse spelling: in het rapport ‘Ze kunnen niet meer spellen’, dat de Taalunie in 2011 uitbracht, heet het zelfs dat zo’n dictee vooral “een demonstratie van de onbeheersbaarheid van de spellingregels” is. Daarom werden er in het verleden al vaker alternatieven naar voren geschoven, ook door taalkundigen. Sterre Leufkens en Marten van der Meulen, die samen taalblogs schrijven onder de naam Milfje Meulskens, pleitten enkele jaren terug bijvoorbeeld al voor een ‘Grote Taalquiz’, waarin het brede veld van wat taal is en kan aan bod komt – in plaats van een Groot Dictee waarin alleen dat smalle spellingperceeltje vrij baan krijgt.

Randy van Halen, winnaar van het Groot Dictee in 2014, wordt geïnterviewd door Philip Freriks.

Randy van Halen, winnaar van het Groot Dictee in 2014, wordt geïnterviewd door Philip Freriks.

En toch. Toch schrijf ik hier een stuk waarin ik het bestaansrecht van zo’n Groot Dictee wil verdedigen. Niet omdat ik ontken dat taal meer is dan spelling, want ik ben een van de grootste pleitbezorgers voor ruime aandacht voor taal in de breedste zin van het woord, maar net omdat taal ook spelling is. In dat opzicht is het dan ook pure onzin dat Willemijn Francissen, de “integraal eindredacteur kennis” (laat de functienaam even bezinken) van de NTR, als argument opwerpt dat er nu al zoveel gebeurt rond taal dat het Dictee wel geschrapt kan worden. Niet alleen geeft dat de – zeer onterechte – indruk dat er vroeger dan blijkbaar niéts rond taal gebeurde, het versterkt ook de idee dat het Groot Dictee op zich voor een tv-omroep wel kan volstaan om de taalflank volledig af te dekken.

‘Kijken naar schrijvende mensen heeft iets vervreemdends, iets voyeuristisch ook bijna’

Voor alle duidelijkheid: dat is niet zo. Er kan niet genoeg aandacht besteed worden aan taal op radio en tv (en al helemaal niet op de openbare omroep), en dat moet net op allerlei verschillende manieren en in allerlei verschillende formats. Van poëzieslams tot literatuurprijzen, van Lingo tot Tien voor Taal, van ‘de Grote Taalquiz’ (laat die er maar komen!) tot… het Groot Dictee. Ja, het is inderdaad wat archaïsch, en net daarom verdient het nog steeds zijn plaats op de televisie. Kijken naar schrijvende mensen heeft iets vervreemdends, iets voyeuristisch ook bijna. Het is een voorbeeld van interactieve televisie, nog voor het bestaan van rode knoppen en Twitterwalls: een oproep om zélf mee te doen, en niet louter toeschouwer te zijn. Het is ook een vorm van onthaasting, een vroege voorloper van de nu nochtans zo hippe slow tv. Als Ruben Van Gucht uren aan een stuk door het Vlaamse landschap fietst voor zijn hoogstpersoonlijke Ronde van Vlaanderen, omgeven door camera’s, dan oogst hij daar lof voor, maar diezelfde eigenschap – traagheid – wordt het Groot Dictee nu wél aangewreven.

Ook het andere argument dat door de NTR wordt aangehaald, namelijk de immer dalende kijkcijfers, mag niet puur door een gebrek aan interesse worden verklaard. Dat het Groot Dictee recent van woensdagavond naar zaterdagavond werd verplaatst, en ook nog eens een later uitzenduur kreeg op een minder bekeken zender, is een voorbeeld van een verstikkingsoperatie die in het verleden al tal van steengoede televisieprogramma’s klein heeft gekregen – van De Canvascrack in Vlaanderen tot Sesamstraat in Nederland. Wie met een dictee op zaterdagavond 368.000 Nederlandse kijkers kan lokken, doet het volgens mij verre van slecht.

‘Eén opluchting: de misstap om er een ‘speelsere’ versie van te maken, is gelukkig niet begaan’

Dictee-icoon Bart Chabot leest zijn dictee voor in 2014.

Dictee-icoon Bart Chabot leest zijn dictee voor in 2014.

Eén opluchting: de misstap om er een ‘speelsere’ versie van te maken, is gelukkig niet begaan. De piste werd blijkbaar wel verkend – met stemkastjes en een stand-upcomedian, de gruwel! – maar is afgevoerd. Groot gelijk: je organiseert zo’n Groot Dictee zoals het hoort, of je doet het niet. Alleen valt de keuze om het dan maar niet meer te doen nu op een zodanig knullige manier dat het pijnlijk is voor iedereen die er in de 26-jarige geschiedenis van het Dictee aan heeft meegewerkt, en voor alle dicteeliefhebbers die het evenement een warm hart toedroegen. Of nee, schrap ‘dicteeliefhebbers’, en maak er ‘spellingaficionado’s’ van – een prachtig dicteewoord dat we nu helaas nooit uit Philip Freriks’ mond zullen horen.

Neerlandicus dr. Steven Delarue (1988) is werkzaam aan het Onderwijscentrum Gent. Hij is liefhebber van het Eurovisiesongfestival, dictees en Chimay blauw. Hij heeft een eigen blog.

Te moeilijk, te archaïsch? Quatsch

Przewalskipaardjes

Przewalskipaardjes

door Jeroen van Heemskerck Düker

Als een harde scheet tijdens een yogales klonk op 24 mei de mededeling dat het Groot Dictee na ruim een kwarteeuw was afgedankt. Exit Philip Freriks, przewalskipaardjes en tseetseevliegen. Zij moeten plaats maken voor de jeugd.

Het jaarlijkse wedstrijdje in de bankjes van de Eerste Kamer is in de ogen van de makers hopeloos ouderwets: ‘’Er gebeurt veel met taal, bij jongeren, op sociale media. Dat zag je niet terug op tv, het dictee was archaïsch. De kijkcijfers zijn de laatste twee jaar hard gedaald: van 722 naar 368 duizend’. Aldus Willemijn Francissen, eindredactrice van NTR (Volkskrant, 24-05-2017) .

Sommigen vielen haar bij. Het dictee was veel te moeilijk. ‘Alleen de geoefendste spelers van het spel konden meekomen. De rest haakte moedeloos af […]’, vonden twee oud-deelnemers, die geen podiumplaats wisten te veroveren (NRC, 25-05-2017). In veel commentaren kwam het befaamde adjectief ‘elitair’ voor. Daarmee meent menig reaguurder een onwelgevallig evenement afdoende te depreciëren. Maar hoe valide zijn de argumenten van zowel de makers als de kijkers?

Oud-premier Van Agt (r) maakt zich op voor een knuffel met dicteerwinnaar Randy van Halen (2014)

Oud-premier Van Agt (r) maakt zich op voor een knuffel met dicteewinnaar Randy van Halen (2014)

Van woensdag naar zaterdag
Om de kijkcijfers kun je niet heen. Heel Hilversum loert dagelijks bij het ontbijt naar de getallen die de SKO opdient. En ja hoor, de cijfers van het Groot Dictee zijn gehalveerd nadat het programma op instigatie van een frisse jongeling verhuisde naar het tweede net. Terwijl de openingsmelodie van C.P.E. Bach op NPO 1 zo’n driekwart miljoen nieuwsgierigen naar het beeldscherm lokte, zakte nu de belangstelling plots in. Dat was niet alleen het gevolg van de verhuizing: de uitzenddag verschoof van woensdag naar zaterdag en Freriks begon pas tegen tien uur met dicteren. Desondanks wist hij nog bijna 400 duizend liefhebbers te trekken, waar de meeste programma’s op die zender het moeten doen met de helft – of veel minder.

Ter illustratie: gemiddeld boekt NPO 2 op zaterdag een resultaat van 80 duizend kijkers. Op dezelfde dag vinden zo’n 360 duizend mensen al 23 jaar lang de weg naar Eigen Huis en Tuin op het concurrerende net RTL 4 (dagrapporten SKO, kijkonderzoek.nl). Hoezo tegenvallende kijkcijfers? Zelfs malle experimenten met een patriottische tweekamp tussen Belgische en Nederlandse deelnemers wisten de liefhebber niet voor de televisie weg te halen. Als Francissen vindt dat zij geen ‘gemeenschapsgeld over de balk’ mag gooien (NRC 24-05-2017), mag zij allereerst alle kunstprogramma’s en documentaires – vrijwel alle veel slechter bezocht dan het dictee – uit de programmering weggummen.

Doodzonde
Kortom, de verminderde kijkcijfers tonen weliswaar aan dat de netmanagers van de NPO aan een opfriscursus toe zijn, maar niet dat het Groot Dictee aan populariteit heeft ingeboet. Om die kritiek voor te zijn, voegde Francissen eraan toe dat jongeren weinig belangstelling tonen voor de spellingwedstrijd. ‘Archaïsch’ noemde zij het – en dat is een doodzonde in tv-land, dat een verloren strijd voert tegen de nieuwe media. Zij sloeg de spijker op de kop. Het dictee was een kwarteeuw geleden al een anachronisme. Philip Freriks lanceerde de wedstrijd naar Frans model op de nationale tv met de nodige ironie, als een hardvochtig examen in een intimiderende omgeving waarin alleen de excellente deelnemers enige kans maakten op ‘eeuwige roem’. Educatie van het volk was allerminst de opzet. In de bankjes van de Eerste Kamer mochten de matadoren van de orthografie strijden om het kampioenschap. Niets meer, niets minder.

Sophie van den Enk

Zoals altijd waren de BN’ers en BV’s veel belangrijker dan de gewone deelnemers. Dit is mevrouw Sophie van den Enk in 2014.

Masochistische BN’ers
Om het voor de minder begaafde spellers aantrekkelijk te maken, nodigde men een cohort masochistische BN’ers en BV’en uit. Daarmee voldeed ook de publieke omroep aan de eis van amusement: Sjef en Ingrid konden zich verkneukelen om die hautaine acteur en het rondborstige soapsterretje, die nóg minder begrepen van al die moeilijke woorden dan zij. Lachen! Uiteindelijk won natuurlijk een man die dagelijks met de neus in de boeken zat – meestal van belegen leeftijd, op één onrustbarende uitzondering na – en kon iedereen opgelucht ademhalen. Zie je wel, dit niveau is niet voor gewone stervelingen weggelegd.

Elitair brouwsel
Zo hoort het ook, zou ik denken. Daarom blijf ik mij verbazen om de reactie die in tal van commentaren op het verscheiden van het Groot Dictee de boventoon voert. Het was ‘het openluchtmuseum van de taal’, een ‘elitair brouwsel’. Veel te veel moeilijke woorden, met als perfide gevolg dat de gewone taalgebruiker het aflegt tegen de lexiconfetisjisten en andere zonderlingen die de leidraad in het Groene Boekje meer dan eens hebben gelezen. Het is de borrelpraat die na een van de vele plaatselijke dictees steevast te horen is. ‘Ik ben best heel goed in taal’, meldt menig deelnemer na afloop, ‘maar hoe kan ik nou weten hoe je kladderadatsch schrijft? Belachelijk om dat te vragen in een dictee.’

Het aardige is dat de generaties elkaar om de oren slaan met hetzelfde argument. Vijftigjarigen lopen rood aan tijdens een dictee over powergrrls met te veel doekoe, scholieren trekkebekken bij teksten over minuscule kasuarissen. Beide groepen weten zeker dat niemand die woorden ooit gebruikt, laat staan kan spellen. Maar de gymnasiaste die vorig jaar in het Goois Dictee een donquichot noteerde als een donkey shot, heeft toch wat geleerd. De rijkdom van onze taal is fenomenaal, en dicteemakers maken daar dankbaar gebruik van.

GDdNT 2016

Roberto la Rocca, de laatste winnaar van het Groot Dictee (2016).

Campionissimo
Daags na de brute executie van het Groot Dictee won Tom Dumoulin na een zenuwslopende tijdrit de Giro d’Italia. Alle Nederlandse fietsers – huisvrouwen met drie kinderen voorop en achterop, mountainbikers, vakantiefietsers – stonden te juichen voor de buis. De allerbeste fietser won. Hoe komt het toch dat de druiven na een dictee veelal zo zuur zijn? Wedstrijdjes waarin de beste wint, na duchtige controle door een vakjury, zijn kijkcijfermagneten: Heel Holland bakt, Idols, noem maar op. Nederlanders en Belgen smullen ervan, tenzij het gaat om orthografisch begaafde types.

Misschien vervangen de wanhopige netmanagers van de publieke omroep het dictee door een lollige spelshow waarin het pleit beslecht wordt door degene die het woord cultuur correct weet op te schrijven. Op dat moment hebben de liefhebbers allang afgehaakt. Die vermeien zich liever met de zestig jaarlijkse dicteewedstrijden die gelukkig nog altijd overal in Nederland te bezoeken zijn.